Selecteer een pagina

Onderstaande brief is verstuurd aan het Openbaar Ministerie, het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de portefeuillehouders sekswerk in de Tweede Kamer, de Commissie J&V in de Eerste Kamer, de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, het Strategisch Overleg Mensenhandel en de betrokken designbureaus.

 

Geachte belanghebbende,

 

Met stijgende ontsteltenis lazen wij onlangs op de site van het Openbaar Ministerie over een nieuw initiatief genaamd ’No Place for Trafficking’, een ‘certificeringsprogramma om seksuele uitbuiting aan te pakken’ gericht op het hotelwezen, de horeca en de vervoersbranche (zie https://www.om.nl/actueel/nieuws/2020/09/14/%E2%80%98no-place-for-sex-trafficking%E2%80%99). Behalve het OM blijkt ook het Ministerie van Justitie en Veiligheid betrokken. Wij zijn ontstemd door het tendentieuze en misleidende karakter van gebezigde uitspraken en de in het algemeen sterk stigmatiserende beeldvorming ten aanzien van sekswerk. Uiteraard is dit niet het eerste initiatief dat zich hieraan schuldig maakt, maar het trof ons uitermate onaangenaam dat hier eens te meer en wel van overheidswege sprake is van kwalijke en ongefundeerde propaganda, feitelijk stemmingmakerij het OM onwaardig. We illustreren dit met enkele voorbeelden.

 

De openingszin luidt: ‘Er zijn jaarlijks naar schatting 3000 Nederlandse slachtoffers van seksuele uitbuiting, waaronder zo’n 1300 minderjarigen.’ De cijfers zijn gebaseerd op de rapportages van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel. Ondergetekende en collega’s hebben deze cijfers eerder aan een kritische wetenschappelijke analyse onderworpen. Een kopie van dat artikel is aangehangen. De auteurs constateren ernstige conceptuele en methodologische onvolkomenheden achter deze ‘schattingen op basis van vermoedens’. Ze roepen op tot grote terughoudendheid bij verwijzingen naar een veronderstelde enorme omvang van seksuele uitbuiting, een oproep waaraan hier in ieder geval geen gehoor gegeven wordt.

 

Apert onjuist en misleidend wordt het verderop als (na de aanduiding van de legale status van sekswerk in Nederland) gezegd wordt: ‘Toch worden de meeste sekswerkers in Nederland uitgebuit door mensenhandelaars (ofwel ‘pooiers’ of loverboys’) of door grotere criminele organisaties die met deze ernstige mensenrechtenschendingen enorm veel geld verdienen.’ Er is geen enkele evidentie dat ‘de meeste’ sekswerkers door ‘pooiers’ of mensenhandelaren worden uitgebuit. Sterker, elk gedegen beleidsonderzoek dat in de afgelopen decennia in opdracht het Ministerie van Justitie is uitgevoerd, vindt lage percentages (variërend tussen 4% en 10%) voor ‘dwang tot of in’.* Uiteraard kennen deze onderzoeken ook hun beperkingen, maar geen enkele aanwijzing rechtvaardigt de uitspraak zoals geciteerd. Met het niettemin onderschrijven ervan lijkt het OM haar professionele distantie te verliezen en niet langer in staat feiten objectief te beoordelen, een kwalijke zaak gezien haar gewichtige maatschappelijke rol.

 

Bovendien zou het het OM sieren als zij verantwoordelijkheid nam voor conceptuele zorgvuldigheid op dit ingewikkelde terrein. Er is grote onduidelijkheid over de betekenis van ’seksuele uitbuiting’. Het omvat, evenals in andere branches, zowel slechte arbeidsomstandigheden die aangepakt zouden moeten worden via het arbeidsrecht, alsook ‘criminele uitbuiting’ in de zin van mensenhandel, d.w.z. omstandigheden die zo slecht zijn dat er sprake is van een schending van mensenrechten. Tendentieuze omschrijvingen zoals gebezigd in de gewraakte projectomschrijving helpen ons geen millimeter verder in het ontwarren van deze betekenissen, laat staan in de noodzakelijke diversifiëring van beleid en interventies.

 

Daarnaast stoort het ons dat er totaal geen verantwoordelijkheid genomen wordt voor het feit dat repressief overheidsbeleid en de gekoppelde stigmatisering van de beroepsgroep sterk bijdragen aan de kwetsbaarheid voor dwang, uitbuiting en geweld van sekswerkers, een feit dat in tegenstelling tot de hier gepretendeerde enorme omvang van dwang wél door een overvloed aan wetenschappelijke inzichten wordt ondersteund. Met haar onjuiste, misleidende en stigmatiserende beeldvorming in dit project, versterkt het OM dus precies de misstanden die zij zegt te willen bestrijden. Het is een schoolvoorbeeld van ineffectief vormgeven aan het streven om ‘de kwetsbaarste mensen te beschermen’ en misdaad te bestrijden. Ook het Ministerie van Justitie en Veiligheid ondergraaft ernstig haar eigen doelstelling tot ‘destigmatisering’ van sekswerk.

 

Wij hebben gemeend u als belanghebbende in het publieke debat omtrent sekswerk van onze visie in dezen op de hoogte te moeten brengen. Uiteraard valt over het bedoelde project nog veel meer te zeggen. Wij hopen over dit en aanverwante onderwerpen in de nabije toekomst verder met u te kunnen communiceren, met als doel de veiligheid, gezondheid en mensenrechten van sekswerkers alsmede de opvang van mensenhandelslachtoffers daadwerkelijk effectief te bevorderen.

 

Mede namens bestuur en leden van SekswerkExpertise (platform positieverbetering sekswerkers),

Prof.dr. Ine Vanwesenbeeck.

 

* Zie o.a. onderzoek Regioplan 2006 en 2014 (8% resp. 4%), Beke (8%), en Wagenaar, Altink en Amesberger (10%). In het Regioplan onderzoek van 2014 (de zgn. nulmeting) geeft 4% van de 365 ondervraagde sekswerkers aan dat er sprake is geweest van ‘dwang ooit’ (teruggerekend 14-15 respondenten); in 2006 was dat 8% (27 respondenten). In het onderzoek van Beke in Amsterdam geeft 8% van de vrouwen aan door te gaan in de prostitutie omdat zij worden gedwongen. Het onderzoek van Wagenaar et al (2013) komt uit op zo’n 10 % van de sekswerkers die ooit dwang heeft meegemaakt. Bronnen: Dekker et al (Regioplan, 2006). Evaluatie opheffing bordeelverbod. De sociale positie van prostituees 2006; Bleeker et al (Regioplan, 2015). Sekswerkers aan het woord. De sociale positie van sekswerkers in Nederland in 2014; Van Wijk et al (Beke, 2010). Kwetsbaar beroep. Een onderzoek naar de prostitutiebranche in Amsterdam; Wagenaar et al (2013). Final Report of the International Comparative Study of Prostitution Policy: Austria and the Netherlands.